In mijn gezin van herkomst werd de rolverdeling tussen mijn ouders klassiek ingevuld. Mijn moeder mocht niet in dienst blijven bij haar werkgever omdat ze trouwde en zorgde dus voor de kinderen.

Mijn vader werkte ondertussen hard en veel. Ik kan mij niet anders herinneren dan dat hij vaak met werk bezig was of moe was van het harde werken. Dat merkte ik vooral als ik iets met hem wilde delen, mijn rapport, iets wat er op school was gebeurd of gewoon als ik even aandacht van hem wilde. “Nu even niet, moet dat nu? of straks” kreeg ik dan te horen. En straks kwam voor mij eigenlijk altijd te laat. Als ik er over schrijf voel ik het nog, ergens onder mijn borstbeen. Dat oncomfortabele gevoel van afwijzing en verdriet. Mijn vader wist gewoon niet beter. Hij had het zelf zo meegemaakt en herhaalde het patroon. Hij zorgde dat we niets te kort kwamen, in een mooi huis woonden en konden studeren. In zijn ogen nam een vader op deze manier zijn verantwoordelijkheid.

Ik koos, zoals verwacht, voor een studie waarmee je in de toekomst verzekerd was van een baan. Niet gaan doen wat je nu per se leuk vond of blij van werd maar waarmee je een bepaalde zekerheid kon garanderen. Ik heb het allemaal gedaan, om de redenen die mijn ouders gaven maar ook, in retrospectie, omdat ik zo graag wilde dat ze mij zagen en trots op mij zouden zijn.

Na mijn studie ging ik werken, hard en veel. Een momentje niksen was niets voor mij. Hard werken betekende dat je er toe deed, net als snel carrière maken en zo snel mogelijk ‘het management’ in. Ik dacht er niet bij na of dit was wat ik wilde of sterker nog; of ik er gelukkig van werd. Ik haalde mijn voldoening uit status, salaris en uit de goedkeuring van mijn ouders of eigenlijk: Mijn vader. Ik wist gewoon niet beter.

Tot mijn vader heel ziek werd en stierf, op 58 jarige leeftijd. Vóór zijn pensioen, waar hij zo naar uitkeek omdat hij dan eindelijk de dingen kon gaan doen die hij echt leuk vond. Ik was 29 en mijn vader was dood. Ik was intens verdrietig maar kon niets met het verdriet. Na al die jaren mijn gevoel verstoppen, wist ik niet hoe ik moest voelen en moest rouwen. Wel wist ik ergens van binnen dat het niet klopte en ik iets te doen had. Ik had een fantastische leidinggevende die het begreep, goede hulp aanreikte en letterlijk zei “haal er alles voor jezelf uit dat er in zit”. En dat deed ik.
Inmiddels ben ik 14 jaar verder, leer en ontdek (gelukkig) nog steeds maar kan inmiddels zeggen dat ik mijn eigen leven leid en mijn keuzes baseer op of het goed voelt of niet. Soms gaat dat makkelijk, soms kom ik mijzelf weer eens goed tegen en soms is er een grote sprong in het diepe voor nodig. Ik ben er eerlijk gezegd de lol wel van gaan inzien.

Ik kom met veel mensen in gesprek die zich afvragen of zij het leven leiden dat ze echt zouden willen leiden. Of ze simpelweg doen waar ze blij van worden en het beste uit zichzelf halen. Mensen die dromen hebben en deze om wat voor reden dan ook hebben geparkeerd of afscheid van hebben genomen. Maar in die gesprekken blijkt altijd: Dat gevoel gaat niet weg. Toen mijn vader ziek werd en besefte dat hij dood kon gaan hoorde ik hem tegen een jongere collega zeggen. “Ga op tijd naar huis, ga naar je kinderen en geniet”. “Ik heb het te weinig gedaan en besef nu, die tijd komt nooit meer terug”. Deze boodschap en zijn lijden is misschien wel het belangrijkste geschenk dat mijn vader mij gaf. Het helpt mij om me niet te verliezen in de waan van de dag, altijd terug te gaan naar het hier en nu, lief te hebben en volop te genieten.